Terug
< terug
    Anje's Weblog      

Anje

Kinderen die opgroeien in een drie generatie gezin hebben het voordeel dat er altijd wel een grootouder is die tijd en geduld voor een kind heeft en soms vertellen deze grootouders dan verhalen uit de familiegeschiedenis. Zo kon mijn Oma prachtig vertellen over hoe haar voorouders met schepen over de Rijn voeren van Zwitserland naar Nederland, om hier in vrijheid en rust hun godsdienst te kunnen belijden. Ze sprak er over alsof ze er zelf bij geweest was en vooral de details over de schoenen met gespen vond ik als kind heel spannend.  Pas toen ik in de jaren 60 als stagiaire werkte in de Mennonite Historical Library van wat nu Bluffton University in Bluffton, Ohio in de Verenigde Staten is, vond ik gegevens waaruit blijkt dat alles wat mijn grootmoeder vertelde met de feiten overeenkwam. In 1984 publiceerde Rudolf Rijkens het boek: Genealogie van het geslacht Rijkens van 1166 tot ± 1900; de voor- en nazaten van Daniël Richen en Barbara Wänger.  Rudolf Rijkens heeft jarenlang zorgvuldig onderzoek gedaan en dit stukje is dan ook gebaseerd op zijn boek.
De Dopersen werden jarenlang in Zwitserland gedoogd, maar werden wel vaak voor het gerecht gedaagd en kregen dan ook vaak straf bestaande uit b.v. stokslagen of uit het afstaan van stukken land. In de 17e eeuw kregen de Dopers onderling hevige ruzie over de juiste navolging van bijbelse regels in het dagelijkse leven. De volgelingen van Jacob Amman wilden heel streng de "ban" toepassen, waarbij mensen die zich volgens de kerkenraad niet goed aan de regels hielden, door de andere leden volledig moesten worden gemeden.  Na enige tijd wilde de Zwitserse regeringen deze Amish niet langer op hun grondgebied hebben. Velen gingen naar Amerika, vaak met financiële steun van Nederlandse Doopsgezinden.(Algemeene Commissie Bijzondere Noden).  Een koopman uit Bern, Ritter genaamd, kreeg van de Zwitserse regering 45 Reichstaler voor elk Dopers persoon die hij naar Amerika begeleidde. In 1711 echter was er een groep Amish die als gevangenen door Duitsland met schepen naar Nederland kwamen, waarop aan de Nederlandse overheid de vrijheid van deze gevangenen werd gevraagd. De gevangenen werden door de Staten-Generaal vrij gelaten, onder voorwaarde dat de Nederlandse doopsgezinden deze Zwitsers onder hun hoede zouden nemen. De Zwitserse overheid is een tijd lang erg boos over deze vrijlating geweest. Op 2 augustus 1711 kwamen de schepen in Utrecht aan, waar ze werden opgewacht door de kosters van de "Zon" en het "Lam" uit Amsterdam. Die brachten hen naar twee pakhuizen op het Realeneiland, waar er zoveel belangstelling van Amsterdammers was, dat men bescherming van de "schoutendienaren" kreeg. Maar al die belangstelling zorgde er ook voor dat er binnen de kortste keren 1045 gulden in de collectebussen t.b.v. de Zwitsers verzameld was. Na twee weken rust verspreidde men zich over Nederland. Naar Groningen-Sappemeer gingen 120 mensen, naar Deventer 106 en naar Kampen 81. Verder gingen nog 4 families naar Gorredijk en Harlingen. De schrijver Pieter Langendijk heeft een lang gedicht geschreven n.a.v de komst van de Zwitsers, waarin hij vooral betreurt dat de eenvoud, deze zuiv're hemelmaagd, helemaal uit de Nederlandse Doopsgezinde  broederschap is verdwenen. De Zwitsers echter, brachten deze zuivere, hemelse maagd weer terug, niet in een zwierig kledingstuk van krakende zijde , maar gehuld in een boerenpij. En dan praat Pieter Langendijk nog vier bladzijden lang hoe Doopsgezinden zich zouden moeten gedragen, en hoe ver zij (en ook wij nu!) daarvan zijn afgedwaald. De nazaten van de Zwitsers in Sappemeer zijn Doopsgezind geworden en hebben altijd veel invloed gehouden in de Doopszinde gemeentes in de Veenkoloniën. Sommigen zijn Gereformeerd geworden, omdat ze zich niet konden verenigen met de meer vrijzinnige richting die de Doopsgezinden opgingen en een gedeelte is buitenkerkelijk.
Toen ik 50 jaar geleden werd gedoopt viel de geschiedenis van de Broederschap volledig samen met de geschiedenis van mijn familie. In mijn contacten met Amerikaanse Doopsgezinde families in de jaren 60 van de vorige eeuw bleek dat dit voor hen in die tijd ook zo gold. Bij een ontmoeting werd vaak gevraagd: "Kannst du Schwyzere oder kannst du platt schnecke?" Ook werd altijd gevraagd wat je Doopsgezinde achternaam was. Inmiddels is dat al lang niet meer zo. Als je kijkt op de de website "Third Way Café"  is goed te merken dat de overgrote meerderheid van de Mennonieten niet van Zwitserse of Noordnederlands-Russische afkomst is. En er is een veelheid aan variaties binnen onze Doperse beweging. Dat woord "beweging" is toch wel een kernwoord van onze wereldwijde Broederschap. Ik denk ook wel eens dat we niet genoeg hebben aan een Janushoofd, dat tegelijktertijd naar het verleden en naar de toekomst kijkt, maar dat wij als Doopsgezinden een draaiend hoofd zouden moeten hebben: verleden, toekomst, naasten met een verwant geloof en verre naasten. Ik ben heel benieuwd hoe ons geloof zich de komende jaren zal ontwikkelen.

Anje Voulon-Jonker                          April 2008.